x

Moet de culturele sector Tomorrowland achterna?

Wat journalist Ben Van Alboom opstak van 'Dataïsme' en 'Naar nieuwe businessmodellen' - 21.01

“Als de cultuursector het nu nog niet heeft begrepen, wanneer dan wél?” Cultuurhuizen werden dit jaar op Media & Culture Fast Forward klaargestoomd voor het digitale post-coronatijdperk. Want lopen die op technologisch vlak niet altijd serieus achter? Mogelijk, merkt cultuurjournalist Ben Van Alboom op. Maar moet per se iederéén Tomorrowland achterna?

Ik zeg naar verluidt te vaak dat ik een paar jaar in New York heb gewoond, en dus ik scoor nu allicht geen punten met deze eerste zin. But what can I say? In New York wonen doet iets met een mens. Zeker met een cultureel dier als mij. Want de vraag is daar meestal: “Wat is er vandaag níet te doen?”

Niet dat ik er elke avond op Broadway zat of naar een concert ging, want beide zijn er pokkenduur. Veruit het enige wat er voor iedereen toegankelijk is, is The Met(ropolitan Museum of Art). New Yorkers mogen daarvoor betalen wat ze willen. Al moet je dat echt wel weten, want ze afficheren enkel de algemene toegangsprijs ($25). En ook: als je $5 neertelt – wegens I got $2700 rent to pay – bekijken ze je alsof je hen besteelt. Ter info: The Met had in 2019 $336 miljoen inkomsten, waarvan ‘slechts’ $55 miljoen afkomstig van toegangstickets. Om maar te zeggen: ze weten daar – ongetwijfeld bij gebrek aan subsidie – hoe ze geld moeten ophalen.

Dat merkte ik al snel ook toen ik eens twee tickets voor de opera kocht voor $650. Hey kijk, als je dat dan toch eens doet, wil je niet op het vijfde balkon zitten. We zaten dus op het tweede. Sindsdien krijg ik wekelijks een mail van The Metropolitan Opera met de vraag wanneer ik nog eens langskom? Of ik niet ook de nieuwe voorstelling van componist X met sopraan Y wil zien? Of zou ik niet beter meteen een abonnement nemen? “En anders is een schenking van $100 ook goed, hoor!” Ik heb er altijd nogal makkelijk aan kunnen weerstaan, wegens I got $2700 rent to pay. Maar ik ga ervan uit dat het werkt: The Metropolitan Opera haalde in 2019 $312 miljoen op, waarvan $146 miljoen via donaties. 

Twee kleine en – vind ik – opmerkelijke kanttekeningen wel. Eén: The Metropolitan Opera maakte in 2019 $2 miljoen verlies. Wat toch straf is voor wat in wezen een greatest hits-fabriek is. Zij het één van een uitzonderlijk hoog niveau, dat is waar. Twee: alle muzikanten zijn op 1 april van vorig jaar op verlof zonder wedde gestuurd, want het blijkt financieel niet haalbaar om ze tijdens een pandemie te blijven betalen. And they probably got $3700 rent to pay. Om maar te zeggen: hoe goed Amerikaanse kunstinstellingen ook zijn in het ophalen van geld, dat maakt het Amerikaanse systeem allesbehalve duurzaam. Laat staan dat het veel ruimte laat voor experiment.

Maar wacht! Het Vlaamse systeem is uiteraard ook allesbehalve heiligmakend. Eén bezoek aan een Amerikaanse kunstinstelling, en ze blijven je stalken tot in de kist. Eén bezoek aan een Vlaams cultuurhuis, en ze weten amper dat je er bent geweest. Misschien dat ik al stoemelings op een algemene nieuwsbrief beland die op onregelmatig tijdstippen wordt uitgestuurd, zodat ik na een bezoek aan een klassieke dansvoorstelling te horen krijg dat er binnen twee maanden een avant-gardistische metalband langskomt (want dat ligt duidelijk binnen mijn interesseveld). Maar dat zal het zowat zijn.

En wat dat betreft, geloof ik, net als de deelnemers aan het panelgesprek over ‘dataïsme’, dat Vlaamse cultuurinstellingen onwaarschijnlijk veel kansen laten liggen – op vlak van het verzamelen, verwerken en inzetten van data. Overigens niet enkel in-house, denk ik dan. Het is vrij absurd dat we geld betalen aan Amerikaanse bedrijven als Facebook en Google om te zeggen waar de liefhebbers van avant-gardistische metal in een boog van vijftig kilometer rond Gent zitten, terwijl we exact zouden kunnen weten wie die 472 mensen zijn, als cultuurspelers de data van hun ticketkopers goed zouden beheren en met elkaar delen. (Ja, ik heb al eens iets horen waaien over GDPR, maar maakt dat een nationale databank van cultuurconsumptie compleet onmogelijk? Want als Facebook een businessmodel kan bouwen rond ons surfgedrag, waarom zouden Vlaamse concertzalen, musea en schouwburgen dat – mits de nodige kleine letters – niet mogen rond onze cultuurconsumptie?)

Al is dat natuurlijk maar één waanzinnig mercantiel voorbeeld van wat je met data kan aanvangen, en ik treed Saskia Scheltjens van het Amsterdams Rijksmuseum zeker bij dat data in de kunst de deur openzet naar nog zó veel meer – van creatie tot internationale samenwerkingen.

Wat mij bij de vraag brengt wie daarin het voortouw moet nemen: iedereen voor zich of de (sowieso al betrokken) overheid? Kwestie van ‘snelheid maken’ – want dat is belangrijk, leer ik uit de debatten – lijkt het tweede voor de hand te liggen. Of zoals Luc Delrue van het Departement Cultuur, Jeugd & Media in het debat over nieuwe businessmodellen terecht opmerkte: in plaats van honderd miljoen euro te investeren in een nieuw gebouw, zouden we dat geld niet beter stoppen in digitalisering en data? 

Wat mij dan weer bij dat tweede debat brengt, waar ik het soms nogal moeilijk mee had – omdat de cultuursector er uitkwam als een dino die niet beseft hoe hij poen moet scheppen. Meer nog: misschien heeft hij wel niets van waarde om te verkopen, want waarom zou Rosas anders zijn voorstelling Drumming in volle coronacrisis gratis op YouTube gooien?

Dat de cultuursector een dino is, is niet onwaar. Dat hij niet beseft hoe hij poen moet scheppen, daar zit zeker ook enige waarheid in. En dat dat veel te maken heeft met het feit dat de overheid de belangrijkste klant is van veel kunstinstellingen, daar valt ongetwijfeld eveneens iets voor te zeggen. Maar dat de sector niet zo interessant of relevant bezig zou zijn omdat hij er niet meteen op uit is of in slaagt om winst te maken met het livestreamen van dingen die mensen vaak al eeuwen gewoon zijn om ‘in the flesh’ te zien, dat vind ik een eigenaardige stelling. Zeker in een wereld waarin succesvolle bedrijven die vijftig miljoen liedjes of een paar duizend series en films aanbieden voor € 10 er zelf nog nooit in geslaagd zijn om één cent winst te maken.

En pas op: het is niet dat ik niet geloof dat er toekomst zit in het streamen van concerten en podiumkunsten. (Al geraak ik, eerlijk gezegd, niet door Hamilton op Disney+. Maar dat ligt vast aan mij.) Alleen heeft niet iedereen zoveel slagkracht als Tomorrowland, dat vorig jaar voor zijn indrukwekkende livestreams een miljoenenpubliek kon aanspreken. Bovendien is er het voorbije jaar in Vlaanderen – met zijn bloeiende en erg lucratieve livemuziekmarkt – wel degelijk ook door andere spelers in de muziek- én podiumsector geëxperimenteerd met streaming. En ja, die experimenten zijn waardevol, ook al hebben ze zelden geld opgeleverd. Wat nu misschien ook niet zó abnormaal is op een lap grond van zeven zakdoeken groot? Zelfs in de VS heeft het in 2020 niet bepaald lucratieve livestreams geregend.

En misschien nog een belangrijkere vraag die zich stelt: willen we – al dan niet op een moment dat mensen amper de deur uit kunnen – echt alle kunst en cultuur achter een betaalmuur steken? Of willen we juist iedereen de kans geven om Drumming te bekijken (en The Met te bezoeken)? Of zijn we van mening dat kunst dezelfde markteconomische logica moet volgen als – ik zeg maar wat – broodroosters? (’t Is trouwens niet dat ik het niet snap, maar ik vind het nu ook weer niet zo’n innovatieve gedachte om te denken dat iedereen in de toekomst enkel nog naar cultuur – van een operavoorstelling tot een technoparty – op een scherm zal kijken. De Mona Lisa staat al twintig jaar op Google, en het Louvre is nog altijd het meest bezochte museum ter wereld.

Voor de duidelijkheid: kunstinstellingen móeten nadenken over veranderende vormen van zowel distributie als appreciatie. Ik moet de eerste kunstenaar trouwens nog tegenkomen die erop gebrand is om zo weinig mogelijk publiek te bereiken. Maar als maatschappij hebben we ervoor gekozen om niet alles volgens dezelfde marktlogica te laten verlopen. We kunnen hier ook perfect het Amerikaanse sociale zekerheidssysteem invoeren en ons blauw betalen aan ofwel een ziekteverzekering ofwel ziekenhuisfacturen. Maar willen we dat? En zijn we dan ook van mening dat alle kunst lucratief moet zijn, of vinden we het belangrijker dat ze toegankelijk is? En ja, ik weet dat het ene het andere niet moet uitsluiten – dat zeg ik ook niet – maar je krijgt wel een heel ander soort kunst, als je louter vertrekt van het eerste.

Ik moest twee weken na het debat er trouwens nog eens aan denken, toen ik een interview las met Jef Neve in De Tijd. Gevraagd naar zijn hoogtepunt van 2020, sprak hij over de gratis concerten die hij op uitnodiging van Gent Jazz gaf in UZ Gent. “Tussen twee concertjes door kwamen een dokter en een verpleegster naar me met een filmpje van een vrouw die voor haar leven vocht en mijn concert had gevolgd op haar kamer. De tranen liepen over haar wangen. Zoiets snijdt je adem af. Plots werd het voor mij heel concreet wat het betekent om als muzikant in een samenleving te staan. We zijn troubadours. We zijn er om de harten van de mensen te vullen.”

Full disclosure: Jef Neve gaf in datzelfde interview eveneens te kennen dat hij niet gelooft dat livestreams samen met corona zullen verdwijnen. “We gaan naar een hybride model waarbij mensen die fysiek niet op een show raken thuis tegen verminderd tarief kunnen volgen.” Klinkt goed. Al onthoud ik persoonlijk vooral ‘verminderd tarief’ en het sentiment uit de vorige alinea. Niet omdat ik vind dat kunst per definitie gratis of goedkoop moet zijn, wel omdat de uitdagingen waar de kunstsector de komende decennia voor staan, niet louter rond meer geld draaien. Ze draaien ook (en misschien wel vooral) rond de harten van zoveel mogelijk mensen vullen.

Wat dus allemaal niet wil zeggen dat kunstinstellingen niet dynamischer mogen worden. Of dat de sector zich niet minder rigide en meer participatief moet opstellen. Hij moet (veel) meer met data aan de slag en hij moet ook constant op zoek naar nieuw publiek en innovatieve modellen of toepassingen. Want dat is precies wat je van gesubsidieerde instellingen mag verwachten, zoals de wereldvermaarde econoom Mariana Mazzucato op Media & Culture Fast Forward wist te vertellen. Er móet ruimte blijven voor artistiek experiment, maar evenzeer voor een brede publiekswerking. En ja, er moet ook – zonder schroom – kunnen gesproken worden over andere verdienmodellen, maar bij voorkeur zonder alle kunst achter een betaalmuur te steken.

Want kunst is niet enkel van monetaire waarde, maar ook van emotionele en maatschappelijke. En dat mag ook de overheid gerust wat geld kosten.